FAQ / Veelgestelde vragen over de VRKI
Voorwoord: In deze rubriek wordt antwoord gegeven op vragen over de Verbeterde Risiscoklassenindeling VRKI. Enkele vragen hebben deels ook betrekking op de BRL BORG 2005 versie 2. Hoewel het niet tot de verantwoording van het Deskundigenpanel inbraakbeveilging behoort om vragen over de NBRL BORG te beantwoorden, zijn deze vragen en antwoorden wél opgenomen. 

U kunt op een vraag klikken om het antwoord te zien.

Vraag 1
Waar kan ik terecht voor vragen over de VRKI?
Voor vragen over de VRKI kunt u contact opnemen met de Informatiedesk van het CCV. Deze heeft contact met het Deskundigenpanel Inbraakbeveiliging en zal ervoor zorg dragen dat uw vraag beantwoord wordt. Mocht uw vraag aanleiding geven tot discussie, dan zal de vraag behandeld worden in een bijeenkomst van het Deskundigenpanel.
Vraag 2
Wat is de rol van het Verbond van Verzekeraars in relatie tot de BORG- de VEB3 regeling en de VRKI?
Het Verbond van Verzekeraars kan de BORG regeling, de VEB3 regeling en de VRKI niet verplicht stellen aan haar leden, maar ondersteunt de BORG- en VEB3 regeling en de VRKI ten zeerste.
Uitgangspunt: BORG gecertificeerde- en VEB erkende beveiligingsbedrijven zijn in beginsel verplicht de VRKI toe te passen. Verzekeraars zijn individueel bevoegd eigen eisen te formuleren en dus af te wijken. De NMA maakt het niet mogelijk om de VRKI als enige geldende regelgeving voor te schrijven, maar het verbond van Verzekeraars stimuleert toepassing van de VRKI.
Vraag 3
Ben ik als beveiligingsbedrijf verplicht de VRKI toe te passen?
BORG en VEB erkende beveiligingsbedrijven zijn in beginsel verplicht de VRKI toe te passen bij ieder ontwerp van en onderhoud aan beveiligingsconcepten. Dit is in hun kwaliteitssysteem opgenomen. Afwijkingen hiervan zijn slechts toegestaan als dit vooraf schriftelijk met de opdrachtgever is overeengekomen (artikel 5.5 NBRL BORG 2005v2) en (artikel 7d en 7e in de VEB3 regeling)

Overige beveiligingsbedrijven doen er verstandig aan om zich hieraan te conformeren. Door toepassing van de VRKI wordt de werkwijze van beveiliging zoveel mogelijk geobjectiveerd om tot gelijkwaardige beveiligingsconcepten te komen.

Verzekeraars zijn individueel bevoegd om eigen eisen te formuleren. Zij kunnen derhalve afwijken van toepassing van de VRKI. Het Verbond van Verzekeraars stimuleert de toepassing van de VRKI wel.
Vraag 4
Mag je een Beveiligingscertificaat afgeven wanneer je de beveiligingsmaatregelen uitvoert op een lager niveau dan de risicoklasseberekening aangeeft. Bijvoorbeeld je komt uit in klasse 3 en je voert de maatregelen uit voor klasse 2.
Nee: als niet wordt voldaan aan de geconstateerde risicoklasse mag géén certificaat worden afgegeven. Bij uitvoering op een lager niveau wordt een Opleveringsbewijs alarminstallatie afgegeven. Zie artikel 1.2 in document D03-385 "Definities beveiligingsmaatregelen”.
Toelichting: Belangrijk is dus dat u zich realiseert dat u, wanneer u in klasse 2 alleen de E maatregelen uitvoert, bij een bouwkundig niveau B0 moet uitgaan van de eis voor het E2 niveau en in klasse 3 en 4 schildetectie (geveldetectie) toepast om te voldoen aan de doelstelling dat uw deeloplossing (Opleveringsbewijs alarminstallatie) wel conform de uitgevoerde beveiligingsklasse is.

Vraag 5
Als het Certificaat of Opleveringsbewijs is verlopen (5 jaar geldig mits onderhoud wordt uitgevoerd) moet je dan een nieuw document afgeven?
Ja. Bovendien is het tijdstip een prima commercieel moment om de bestaande relaties te informeren over de ontwikkelingen met betrekking tot beveiliging. (Alarmverificatie, AoIP, CCTV-systemen e.d.)

Hercertificatie op basis van het oorspronkelijke beveiligingsplan is mogelijk als het risico niet is gewijzigd en de eisende partij verzekeraar) geen nieuw PvE eist.(artikel 4.4 BRL BORG 2005v2) en (artikel 7f in de VEB3 regeling)
4.4 HERCERTIFICATIE
Hercertificatie op basis van het oorspronkelijke beveiligingsplan is mogelijk als er een geldig BORG Certificaat of BORG Opleveringsbewijs is, tenzij door de opdrachtgever of een eisende partij een nieuw PvE wordt gevraagd.
Hierbij geldt dat het oorspronkelijke beveiligingsplan dient te verwijzen naar een Programma van Eisen dat is opgesteld op basis van de Verbeterde Risicoklassenindeling. Het Beveiligingsbedrijf en de opdrachtgever dienen de hercertificatie schriftelijk overeen te komen.
Vraag 6
Waarom is schildetectie ingevoerd bij ’voorwaarden’ in risicoklasse 3 en 4?
Het gaat er om dat bij een (poging tot) inbraak eerst een alarmmelding moet ontstaan en er daarna wordt vertraagd om de tijd voor het verzamelen van de buit te beïnvloeden. Als je geen inpandige vertraging toepast (C/M maatregelen) dan ben je dus afhankelijk van de schil van het gebouw. Hoe zwaar de bouwkundige beveiliging van die schil ook is de inbreker kan, zeker als hij genoeg tijd heeft, via het gevelelement (de gevel) altijd de toegang tot het pand forceren. Het inbraakalarm gaat dan pas af als de inbreker binnen is (dus te laat). Vandaar dat in de hogere risicoklassen bij attractieve goederen H en ZH schildetectie wordt voorgeschreven als niet de juiste inpandige C/M maatregelen worden getroffen. Het doel is duidelijk: inbraakalarm bij eerste aanval, voordat men de schil heeft doorbroken. Detectie op de schil is effectief uit te voeren, bovendien is terreindetectie (buitendetectie) of camerabewaking (met Video Content Analyse) óók een vorm van schildetectie.
Vraag 7
Is een Opleveringsbewijs alarminstallatie voor een bedrijf aan een risicoklasse gebonden?
Een Opleveringsbewijs wordt afgegeven voor de uitgevoerde elektronische maatregelen.
Het is hierbij wel de bedoeling dat de elektronische maatregelen voldoen aan het hoogste niveau van de E + ATS + R maatregel die in de matrix van de beveiligingsklasse wordt genoemd, er worden immers geen bouwkundige en/of meeneembeperkende maatregelen uitgevoerd.

Als u hieraan niet voldoet, dus op een lager niveau de alarminstallatie oplevert, moet u dat duidelijk in het PvE en Opleveringsbewijs aangegeven als een afwijking.
Vraag 8
Is technische alarmverificatie verplicht?
Niet in risicoklasse 1,2 en 3. Wordt de alarmopvolging door sleutelhouders of een particuliere beveiligingsorganisatie uitgevoerd, dan is dit een vorm van persoonlijke alarmverificatie. Nadat er door de alarmopvolger(s) is vastgesteld dat het een terechte inbraakmelding betreft, kan de politie worden gewaarschuwd.

Wil men echter dat de politie snel kan worden ingeschakeld, dan is technische alarmverificatie noodzakelijk. Bij risicoklasse 4 voor bedrijven is technische alarmverificatie wel verplicht. (zie niveau R3 in de tabel beveiligingsklasse)

Vraag 9
Wij hebben verklaringen van betrouwbaarheid aangevraagd bij de Politie. Echter van administratieve krachten kregen we het bericht terug dat dit niet nodig zou zijn. Het geldt toch voor alle medewerkers zowel directie, administratief, commercieel en montage?
In de wet Pbr staat dat voor iedere persoon die alarminstallaties ontwerpt, aanlegt en onderhoud een verklaring van betrouwbaarheid vereist is. Dat geld ook voor die personen die daaraan assistentie verlenen. In de wet PBR (artikel 1g) wordt verstaan onder ‘alarminstallateur’: een persoon die:
1°. alarmapparatuur installeert of zorgdraagt voor onderhoud van alarmapparatuur, 2°. een plan voor de installatie van alarmapparatuur ontwerpt of;
3°. assistentie verleent aan een persoon als bedoeld onder 1° of 2°. In de BRL BORG is gesteld dat voor ondersteunend personeel kan worden volstaan met een verklaring omtrent het gedrag. Het gaat dan om de uitleg wat wordt verstaan onder "assistentie verleent aan". De commissie die verantwoordelijk is voor de BRL is van mening dat administratief personeel geen letterlijke/fysieke assistentie verleent aan het ontwerp, de aanleg en het onderhoud. Waar het in feite om gaat is de integriteit van de persoon die een bepaalde functie in het bedrijf heeft. Als de directie van mening is dat zijn administratief personeel over zoveel vertrouwelijke informatie kan beschikken dat het afbreukrisico van de bedrijfsvoering in het geding is, dan mag de directie stellen dat de verklaring van betrouwbaarheid noodzakelijk is. Bovendien moet iedere medewerker een geheimhoudingsverklaring ondertekenen. Dit zijn dus zaken die je prima in het (BORG) kwaliteitshandboek kunt regelen.
Vraag 10
Wat te doen indien de risicoklasse en/of geëiste beveiligingsmaatregelen zijn gewijzigd bij hercertificering?
Certificaten en Opleveringsbewijzen zijn 5 jaar geldig (mits jaarlijks onderhoud is uitgevoerd). Als een document is verlopen, dient de risicoklasse opnieuw vastgesteld te worden. Door gewijzigde regelgeving en/of een gewijzigd risico kan de nieuwe risicoklasse afwijken van de oorspronkelijke risicoklasse. Ook kunnen de geëiste beveiligingsmaatregelen veranderd zijn.

Bij het opnieuw afgeven van een certificaat dienen de beveiligingsmaatregelen volgens de huidige regelgeving uitgevoerd te worden. Bij een gewijzigde risicoklasse dienen de beveiligingsmaatregelen die bij de nieuwe risicoklasse horen, uitgevoerd te worden. Het kan derhalve voorkomen dat aan een nieuw certificaat of opleveringsbewijs aanvullende eisen worden gesteld.

Componenten voor inbraakpreventie die ten tijde van een hercertificering niet meer op de productlijsten van het NCP en/of REQ staan, hoeven niet vervangen te worden. Componenten die in eerste aanleg aan de eisen voldeden, behouden hun geldigheid, ook als ze niet meer geregistreerd zijn.
Vraag 11
Hoe moet ik de attractiviteitlijst van de VRKI voor bedrijven interpreteren?
Als Bijlage 1 bij de VRKI voor bedrijven en op de achterzijde van de VRKI-kaart vindt u de attractiviteitlijst van de VRKI voor bedrijven, een indeling naar attractiviteit van goederen en inventaris. Naast de waarde van goederen en inventaris is de attractiviteit bepalend voor de risicoklasse van het bedrijf.

In bedrijven kunnen verschillende soorten goederen en/of inventaris aanwezig zijn, met een verschillende waarde en een verschillende attractiviteit. Indien in een bedrijf goederen en/of inventaris van een verschillende attractiviteit aanwezig zijn, dan is de hoogste attractiviteit (L, M, H of ZH) van toepassing. De waarde van goederen met een gelijke attractiviteit moet bij elkaar opgeteld worden om de risicoklasse te bepalen.

In een gebouw met verschillende ruimten (bijvoorbeeld een kantoor en een magazijn) is het ook mogelijk om partiële beveiliging toe te passen. Hierbij moet de scheidende constructie tussen de partiële ruimten voldoen aan het B-niveau van de gekozen combinatie die wordt uitgevoerd voor de hoogste risicoklasse.

Het Verbond van Verzekeraars ziet toe op de actualiteit van de attractiviteitlijst. Op basis van actuele ontwikkelingen in de verzekeringsmarkt worden nieuwe attractieve goederen aan de lijst toegevoegd en inschalingen aangepast.

Bij twijfel over de interpretatie van de attractiviteit van een goed (bijvoorbeeld of een goed wel/niet exclusief is), dient contact opgenomen te worden met de verzekeraar.
Vraag 12
Waarom kan er volgens de beveiligingsmatrix voor zowel woningen als bedrijven gekozen worden voor combinaties van beveiligingsmaatregelen met B0?
Als gekozen wordt voor een combinatie van beveiligingsmaatregelen met B0, dan wordt ervoor gekozen om het aanwezige hang- en sluitwerk te handhaven. In dat geval zijn aanvullende E- en/of C/M-maatregelen vereist om het diefstalrisico gelijkwaardig af te dekken.

Voor het verkleinen van het inbraakrisico zijn combinaties van beveiligingsmaatregelen met B1 effectiever dan combinaties met B0. Combinaties van beveiligingsmaatregelen met B1 hebben daarom de voorkeur, combinaties met B0 zijn uitwijkmogelijkheden.
Het niveau B0 biedt beveiligingsmogelijkheden voor bijzondere gebouwen waar B1 niet mogelijk is.

Er kunnen zich meerdere situaties voordoen waarbij B1 weliswaar mogelijk is maar er geen budget voor B1 beschikbaar is. Of dat de kosten/baten verhouding beter tot zijn recht komt door te kiezen voor B0+C/M1 versus B1.
Met name voor bedrijfsobjecten met veel bereikbare gevelelementen is B0+C/M1 meer regel dan uitzondering.
Vraag 13
Wanneer is persoonlijke alarmverificatie en wanneer is technische alarmverificatie verplicht?
Persoonlijke alarmverificatie wordt geëist bij R0, R1 en R2. Bij persoonlijke alarmverificatie stelt een sleutelhouder of een particuliere beveiligingsorganisatie ter plaatse vast of het alarm wel of niet een daadwerkelijke inbraak betreft. Na vaststelling van een daadwerkelijke inbraak, kan de politie gewaarschuwd worden.

Technische alarmverificatie is verplicht bij R3 (in risicoklasse 4 en 4* voor bedrijven). Bij technische alarmverificatie gebruikt een PAC camera’s en/of microfoons om betrouwbare informatie te verkrijgen. Ook kan aan de hand van de ontvangst van twee of meer alarmen uit een pand, aangevuld met informatie van de contactpersoon, vastgesteld worden of er hoogstwaarschijnlijk sprake is van een daadwerkelijke inbraak. Een PAC kan de politie met deze informatie zo goed mogelijk informeren.
Vraag 14
Wanneer is anti-masking vereist?
Anti-masking signaleert of een ruimtelijk werkende detector is afgedekt en daardoor niet meer naar behoren functioneert.
Anti-masking is vereist:
bij E2 voor bedrijven (grade 2 of 3)
bij E3 voor woningen en bedrijven (grade 3)
Het is niet vereist dat de anti-masking signalering is ingeschakeld als de alarminstallatie is ingeschakeld. Maskering hoeft derhalve niet doorgemeld te worden. De maskering moet wel gesignaleerd worden en een afdekalarm veroorzaken. Een afdekalarm leidt ertoe dat de alarminstallatie niet ingeschakeld kan worden.

Bij Ed, E1 en E2 voor woningen en bij E1 voor bedrijven zijn anti-masking detectoren niet vereist.
Indien anti-masking is vereist, dan moeten alle ruimtelijk werkende detectoren voorzien zijn van anti-masking. Dit geldt dus voor de ruimtelijk werkende detectoren in zowel publiekstoegankelijke als in niet-publiekstoegankelijke ruimten. Dit omdat detectoren ook in niet-publiekstoegankelijke ruimten (onbewust) afgeschermd kunnen worden, bijvoorbeeld door het plaatsen van goederen voor een detector.

Uw vraag niet gevonden? neem contact op met het CCV of dehaanadviseur.nl